27 juli 2026
'Praten over gender met je kleuter' — de Volkskrant als genderpedagoog
De Volkskrant legt in een opvoedrubriek uit hoe je met een kleuter over gender en transgender zijn praat. De zorg van een moeder dat haar kinderen daardoor in verwarring raken, wordt met een uitspraak van een onderzoeker en één cijfer afgedaan; de follow-upstudies naar genderdysforie bij jonge kinderen blijven onvermeld.

Het voorbeeld
Op 9 juni 2026 publiceert de Volkskrant in de wekelijkse opvoedrubriek van Anna van den Breemer het stuk 'Praten over gender met je kleuter: hoe doe je dat?' (bron). Aanleiding is de vraag van een moeder die vreest dat haar dochters in verwarring raken als ze te vroeg over genders en gendertransities horen. Twee onderzoekers krijgen het woord: docent-onderzoeker Antoinette Kroes van Hogeschool Fontys en universitair hoofddocent Joyce Endendijk van de Universiteit Utrecht. Hun antwoord: praten over gender maakt kinderen niet transgender of non-binair, en het onderwerp is niet te ingewikkeld voor jonge kinderen.
De zorg van de moeder wordt genoemd, maar met een uitspraak van Endendijk en één cijfer over het aandeel transgender jongeren terzijde gelegd. Over het idee dat kinderen een genderidentiteit overnemen door erover te horen, zegt Endendijk: 'Daar is geen bewijs voor. Mensen kiezen hun genderidentiteit niet op basis van wat ouders vertellen of wat ze in hun omgeving zien. Die identiteit ontdekken ze zelf.' Dat ieder kind een genderidentiteit heeft die het zelf ontdekt en die kan afwijken van het eigen geslacht, staat daarmee als uitgangspunt vast. Ouders krijgen er een uitleg in jip-en-janneketaal bij: sommige mensen worden geboren als jongen, maar voelen zich een meisje, of andersom. Het is voorlichting als geloofsoverdracht: de doctrine staat vast, de ouders krijgen instructies voor de catechisatie.
Wat klopt hier niet?
Kleuters zijn geen mini-genderfilosofen
Het artikel geeft zelf weer wat de ontwikkelingspsychologie over jonge kinderen zegt. Rond hun vierde of vijfde begrijpen kinderen dat gender meestal stabiel is, en rond hun zesde of zevende beseffen ze dat het niet verandert door uiterlijk of gedrag: 'Een jongen die met poppen speelt, wordt daardoor geen meisje', aldus Endendijk in hetzelfde stuk. Dat besef is iets wezenlijk anders dan een innerlijke 'genderidentiteit' die losstaat van het lichaam.
Over kinderen die wel met genderdysforie bij een kliniek komen, is meer bekend. In een Nederlandse follow-upstudie van 77 kinderen die op een leeftijd van 5 tot 12 jaar vanwege genderdysforie naar een genderkliniek waren verwezen, was op 16-jarige of oudere leeftijd 43 procent niet meer genderdysforisch en 27 procent nog wel; 30 procent reageerde niet of was niet te traceren. De onderzoekers concluderen dat de meeste kinderen met genderdysforie na de puberteit niet genderdysforisch blijven (Wallien en Cohen-Kettenis, 2008) (bron). In een Canadese studie van 139 jongens die als kind om dezelfde reden waren verwezen, bleef 12,2 procent genderdysforisch en gold 87,8 procent als 'desister' (Singh, Bradley en Zucker, 2021) (bron). En onderzoekers van het UMCG volgden 2772 jongeren van 11 tot 26 jaar: rond de leeftijd van 11 jaar gaf 11 procent aan liever van het andere geslacht te willen zijn, rond 26 jaar nog 4 procent (Rawee e.a., 2024) (bron).
Als zelfs bij kinderen die vanwege genderdysforie naar een kliniek worden verwezen het merendeel later geen dysforie meer heeft, wat is dan de waarde van gendergesprekken met kleuters die helemaal geen dysforiesignalen geven? De Volkskrant stelt die vraag niet.
De vraagstelling stuurt het antwoord
Een stuk als 'Praten over gender met je kleuter: hoe doe je dat?' stelt de vraag hoe, niet óf. De premisse, dat gender een onderwerp is dat je met een kleuter bespreekt, wordt als vanzelfsprekend gepresenteerd. Ouders krijgen daarbij mee dat kinderen hen eerder in vertrouwen nemen als er open over genderidentiteit wordt gepraat, en dat 'het opleggen van een genderidentiteit die niet bij een kind past, schadelijk kan zijn voor het welzijn'. Het is een klassiek angstframe: doe het goed (zoals wij uitleggen), anders doe je het fout.
Genderpropaganda hoeft niet openlijk ideologisch te zijn. Het volstaat om één omstreden mensbeeld — genderidentiteit als iets ongrijpbaars, losgekoppeld van sekse, aanwezig in elk kind en potentieel afwijkend — als neutraal uitgangspunt te nemen voor praktisch opvoedadvies. Zo wordt ideologie vanzelf verzorgingsgids.
De Volkskrant als genderpedagoog
Als een landelijk dagblad in een opvoedrubriek uitlegt hoe je met kleuters over genderidentiteit praat, zonder het onderzoek naar het verloop van genderdysforie bij kinderen te noemen, dan is dat geen verslaggeving. Dat is campagnevoering.
Goede journalistiek over dit onderwerp zou er anders uitzien: wat zeggen kinderpsychologen over de leeftijdsgeschiktheid van zulke gesprekken? Wat zijn de risico's van vroege labeling voor kinderen die later misschien helemaal geen genderdysforie blijken te hebben? Wat weten we over de langetermijneffecten van vroege sociale transitie — en wat weten we juist niet? Een systematische review voor de Cass Review vond te weinig en te zwak onderzoek om de gevolgen van sociale transitie te beoordelen, en concludeerde dat robuust bewijs voor de voordelen of de nadelen ervan bij kinderen en jongeren ontbreekt (Hall e.a., 2024) (bron). Dáár ligt de nieuwswaarde. Een how-to zonder die vragen is geen journalistiek maar een pamflet.
De bredere context
Het artikel staat niet op zichzelf. Het past in een patroon waarbij media genderideologie niet bevragen maar verspreiden. De kinderkrant Kidsweek liet op 12 november 2025, aan de vooravond van de Transgender Awareness Week, vier transgender kinderen vertellen hoe het is om transgender te zijn (bron). Nu legt de Volkskrant ook ouders een handleiding voor.
Kinderkrant en volwassenenkrant vertellen zo hetzelfde verhaal. Nergens is er ruimte voor de vraag: klopt dit eigenlijk? Is dit wetenschappelijk onderbouwd? Willen ouders dit? Wat zijn de risico's van vroege labeling voor kinderen die helemaal geen genderdysforie hebben?
Een kleuter heeft geen baat bij een genderidentiteitsgesprek dat hem of haar vraagt categorieën te adopteren die voor de meeste kinderen simpelweg niet relevant zijn. Wat een kleuter wél heeft, is de ruimte om kind te zijn — ook als dat betekent dat een jongetje met poppen speelt of een meisje liever voetbalt. Dat is vrij opvoeden. Een handleiding voor vroeg genderbewustzijn stuurt in precies de andere richting: niet het kind volgen, maar het kind vormen naar een vooropgezette opvatting over wat het zou kunnen zijn.
Conclusie
De Volkskrant presenteert omstreden gendertheorie als neutrale opvoedwijsheid. De vraag of kleuters gendergesprekken nodig hebben, wordt niet gesteld — alleen hoe. De follow-upstudies naar genderdysforie bij jonge kinderen, waarin het merendeel van de verwezen kinderen na de puberteit geen dysforie meer had, komen in het stuk niet voor. Wanneer een landelijk dagblad ideologie als opvoedadvies verpakt, is de grens met propaganda niet alleen dun — ze is overschreden.